Beschrijving van een bestijging van Gunung Merapi, Sumatra

Gunung Merapi, Sumatra

Hoewel het klimaat van de kustvlakte van Padang, West-Sumatra, vanwege de temperatuur die het hele jaar rond de 30 graden Celsius hangt, bij een relatieve luchtvochtigheid van over de 80 %, niet direct uitnodigt tot noeste arbeid, heb ik daar toch na een wat bezwete beginfase met plezier een tweetal jaren (1992 – 1993) gewerkt in het “Padang water supply and sanitation project”, gefinancierd door de KfW (Duitsland).

De Nederlanders in de koloniale jaren 1820–1940 hadden de behoefte om af en toe uit de broeierige kustvlakte te ontsnappen en deden dit, zeker toen er eenmaal een spoorlijn vanaf de kustplaats Padang de bergen in was gebouwd, om een paar dagen in Bukit Tinggi (‘Hoge heuvel’) op 930 meter hoogte af te koelen in een prettig bergklimaat, onder het genot van een kopje thee of koffie (van Max Havelaar!) in de serre van het hotel of het eigen buitenverblijf aldaar.

Ook zal ‘s avonds wel een ontspannend opium-pijpje zijn opgestoken.

Tijdens mijn verblijf in Padang, met dagelijks thee, koffie, regelmatig bier (Carlsberg, Tuborg of Bintang, maar natuurlijk geen San Miguel, want van dictator Marcos). Wel krètèks, maar geen opium en dus voelde ik evenals de oude kolonialen de behoefte om aan de dagelijkse sleur en het klimaat te ontsnappen.

Als mogelijkheden hadden we tennis (bij dageraad nog wel te doen, maar in de lunchpauze een zeer zweterige, niet fotogenieke aangelegenheid), een tochtje met “vissers-dug-out” (een bootje, dus, met matig onderhouden buitenboordmotor) naar een van de eilandjes voor de kust of, en nu kom ik eindelijk toe aan de voor geologen wat meer voor de hand liggende bezigheden, de beklimming van een vulkaan, bij voorkeur een actieve. Dit nu was (en is) bij Padang voortreffelijk uitvoerbaar.

De keus viel op Gunung Merapi (“de Vuurberg”) bij Bukittinggi. Een mooie quartaire, in hoofdzaak andesitische, stratovulkaan met de krater op 2891 meter boven zeeniveau.

Op een vrijdagnamiddag reed ik met Lutz, mijn Duitse ingenieur-collega, de kustvlakte uit, de bergen in. Na een blarentrekkend avondmaal (“Makan Padang” en dus uiterst “keras”) bij Bukittinggi, togen we naar een dorp aan de voet van Merapi. De vulkaan rees nog zo’n 1800 meter boven ons uit.

Hier vonden we een gids en sliepen een paar uurtjes in een klein “losmen” (logement). Omdat we in de koelte wilden klimmen en bij dageraad op de kraterrand wilden zijn om ook de zonsopgang te zien, begonnen we tegen twee uur ‘s-nachts aan de bestijging.

De gids, een magere teenager met plastic regenjek en zaklantaarn, ging voorop. Wij volgden met rugzakje met fles water, regenjek en fototoestel en onze eigen zaklantaarn.

De eerst zeer dichte vegetatie werd geleidelijk aan schaarser en hield op ongeveer 2500 meter hoogte op. Hier begon een kale, vrij steile puinhelling en weigerde onze gids verder te gaan: “dit was hoog genoeg en hogerop werd het erg gevaarlijk vanwege boze geesten, die vooral ’s nachts actief waren”.

Dus gidsloos verder omhoog. Tegen vijf uur waren we, natbezweet en hijgend, boven, nog steeds in de duisternis. De kraterrand was vrij makkelijk te herkennen: achter ons, waar we net vandaan kwamen, ging het naar beneden, vóór ons nu ook. Tevens konden we af en toe geluiden voor ons horen, voornamelijk een zacht sissen en fluiten.

Singkarak, caldera meer, Gunung Merapi, Sumatra
Singkarak, caldera meer, Gunung Merapi, Sumatra

Zittend op een geriefelijke “boulder” wachtten we op het ochtendgloren, dat tegen half zes merkbaar werd. Uit de nog donkere dalbodem naast ons steeg hier en daar een dunne, blauwe rooksliert op: de houtskoolvuurtjes, waarop de dorpelingen hun eenvoudig ontbijt (non-parboiled rijst) klaarmaakten. Naar het zuid-westen werd Singkarak, het grote caldera-meer, zichtbaar. We konden nu ook een stuk in de krater kijken.

Na enig overleg met Lutz (“Ist dies nicht gefaehrlich?”) begonnen we aan de rondgang langs de kraterrand. Er kwamen weinig geluiden uit de krater, waarvan we de bodem in de diepte niet konden zien. Wel zag je uit de wanden op verschillende plaatsen witte en gele rook komen.

Het lopen over de kraterrand was lastig door de losliggende puimsteenbrokken. Na een paar honderd meter kwamen we bij een lager liggend deel van de kraterrand, waar lava makkelijker overheen zou kunnen komen. Er kwam niets, ook geen al dan niet boze geest, en het bleef stil.

Op driekwart van onze rondgang varanderde dit: vrij plotseling kwam er veel gefluit en nu ook gerommel uit de krater en we zagen donkerbruine wolken in de krater omhoog komen. We zetten het op een bevlogen rennen naar een hoger deel van de kraterrand, het fototoestel wild slingerend om de hals, rugzak hotsend op de rug, trefzeker de voeten correct plaatsend, geen enkele enkel brekend.

Dan omdraaien en wat niet zeer scherpe foto’s maken (waren we dan toch niet helemaal koelbloedig?). Het fluiten was nu bijna steeds te horen. De bruine wolk stulpte uit de krater en bewoog omhoog en met de zwakke wind langzaam naar het noord-oosten, links van ons. Af en toe vielen er tennisbal-grote puimsteenbommetjes met een plof voor, naast en achter ons. Het was zaak nog wat meer te rennen, nu iets naar beneden van de krater af. Hier konden we iets rustiger de uitbarsting bekijken. Fantastisch!

Na een uurtje daalden we de helling weer af en troffen daar tot onze verbazing onze gids weer aan, die heel opgelucht was ons ongedeerd door de geesten weer te zien.

Terug in het dorp genoten we van ons eenvoudig ontbijt (rijst, wat groente en thee).

Na jarenlang werk als grondwatergeoloog, eindelijk weer eens echte geologische processen aanschouwd. Maar wel door gebrek aan routine verzuimd gesteentemonsters te nemen. En de maandag daarop konden we weer aan ons heilzame watervoorzieningswerk.

“Selamat Minum!”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.