1978, eerste-jaars impressies van een overgangsjaar

Het jaar 1978, eerste-jaars impressies van een overgangsjaar

Tentamen in Oliete

We kampeerden halverwege het stuwmeer, aan de Rio Martin bij Oliete. Ons groepje van zes eerstejaars uit 1978 bestond uit Hanneke Gieske, Ramon Loosveld, Jan Linssen, Kinie Esser, ikzelf, en een macrobiotisch levende bioloog met geologie als bijvak (macrobiotisch was lastig bij uit eten gaan: ‘No carne, por favor’ – dus men bracht jamon. ‘Jamon?’ ‘Jamon no es carne, es jamon!’). Oliete was (en is) voor mij: rood-geel gekleurd, dippende zandsteen, een smalle strook groene bomen langs de rivierbedding en een strakblauwe lucht erboven, en dit alles in the middle of nowhere. Een lucht die ’s middags meer en meer werd bezwangerd door de hitte. Hoe mooi kan een streek zijn?

Groep geologen, 1978
v.l.n.r. Kinie Esser, Peter Westbroek, de rug van Ramon Loosveld, Jan Linssen, bioloog Maarten, Josje Kriest – met gekleurde hoed, Hanneke Gieske en …tja…(een geoloog, maar geen jaargenoot).

Ons eerste jaar zat er op, maar door de geplande verhuizing van het (bijna) complete instituut naar het Gat achter Woerden, waren niet alle tentamens op tijd georganiseerd. Eén moesten we nog halen, vóór we aan het veldwerk mochten beginnen: het tentamen van Theo Krans (algemene stratigrafie?).

Dat tentamen hebben we die zomer in Oliete gemaakt. In de kroeg, vlakbij de brug over de Rio Martin. De oude mannetjes op het bankje voor de kroeg keken vreemd op. Rond negen uur ‘s ochtends was het nog akelig rustig in het dorp en een groep jongeren zag je al helemaal niet. We zijn door de kroegbaas naar de bovenverdieping gedirigeerd: een lichte, ruime kamer met wat tafels en stoelen, netjes opgesteld in rijen. On-Spaans eigenlijk. En daar hebben we het tentamen gemaakt. Met Van Ginkel als waarnemer.

We zijn allemaal geslaagd. 1978 was een goed jaar.

Trigonia en gieren

Toen ons groepje een week in Oliete verbleef, zijn Hanneke Gieske en ik een keer gaan zwemmen in het stuwmeer. De anderen bleven in de buurt van de dam, maar wij zwommen ‘een eindje’ het meer op. Het was waanzinnig mooi. We dreven op een gegeven moment in het midden van het meer, met alleen stilte om ons heen. Gele bergen, blauwe lucht, niets. En twee gieren die hoog boven ons in de lucht cirkelden.

Na een paar kilometer gezwommen te hebben, zijn we gaan uitrusten op een strandje. Het bleek er vol te liggen met fossielen. Naar we later hoorden: Trigonia, een mooie grote bivalve (schelp, voor de niet-ingewijden). Ze waren te mooi om te laten liggen, dus we hebben er allebei een aantal in onze bikini/badpak gestopt, en zijn toen teruggezwommen. De gieren cirkelden nog altijd boven ons. En bij de dam liep een groepje bezorgd zoekende medestudenten onze namen te roepen. We waren blijkbaar al uren weg.

De volgende dag zijn we met een paar extra mensen –en een luchtbed– weer naar het strandje gezwommen, en we hebben heel veel Trigoniae meegenomen. Aangezien ons universiteitsbusje erg vol bleek, tegen de tijd dat we moesten terugreizen naar Nederland, hebben we de meeste fossielen jammer genoeg achter gelaten in het kamp.

Hit’s

In het weekend gingen we vaak met een stel vanuit Aliaga naar de discotheek in Montalban: Hit’s. Voor mij is Hit’s de plek met de lekkerste calamares-tapas. Maar ik geef toe, ik was toen nog niets gewend.

We maakten op een avond in de disco kennis met wat Spaanse jongeren, en die waren helemaal weg van Van Morrison. Ze vroegen of wij bij hen thuis, in hun eigen studio, niet naar Van Morrison wilden komen luisteren. Het klonk leuk, en we gingen mee, naar een oude ‘toren’ een paar straatjes verderop. Het zag er historisch uit, met zijn oude natuursteen in het donkere straatje. Op de bovenste verdieping hadden ze inderdaad een studio annex dansvloer ingericht, met forse geluidsapparatuur achter een glazen wand. Het oogde allemaal behoorlijk professioneel. We bewonderden de studio en Van Morrison werd opgezet. Dansen, luisteren. Maar op een gegeven moment merkten we dat de sfeer nog wat echter werd gemaakt. Je rook overal stickies. Aangezien je in Spanje, zeker in die tijd, grote problemen kon krijgen als je met drugs werd betrapt, zijn we toen toch maar vertrokken. Daar komt bij dat we meer op hadden met drank dan met drugs.

De mijn in Utrillas

Peter Westbroek vond, als één van onze begeleiders tijdens het veldwerk, dat we maar eens een mijn moesten bekijken in Utrillas. Met een aantal studenten plus Peter gingen we naar binnen. Die mijnen in Utrillas hadden geen goede reputatie; er gebeurden nog al eens akelige ongelukken. Het was er erg donker, maar ook in het duister konden we wel inschatten dat het niet erg veilig werken was, daar. Veel draagbalken die de gangen ondersteunden, hingen er bij als gebroken lucifer-houtjes. Dat leek ons niet goed.

Diep onder de indruk kwamen we na verloop van tijd weer naar buiten. Allemaal heel stil, hoewel één student heel enthousiast naar buiten liep. Met een hand vol prachtige gepyritiseerde fossielen. Geen van ons had die fossielen überhaupt opgemerkt in de donkere mijn. Maar deze jongen wilde dolgraag paleontoloog worden (en is dat ook geworden), en hij had waarschijnlijk een zesde zintuig voor dat soort zaken. Ongelooflijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.